EXPERT VIEW

De schroefbeweging – Tom Boons

Schroeven is een techniek die veel sporters onder de knie moeten krijgen. Maar wat maakt een schroef nu zo gecompliceerd en hoe kunnen we de beweging beter begrijpen?

Wie is onze expert Tom Boons?

Op zijn derde startte Tom (tweede van links) met kleuterturnen bij Acro II Gym Brasschaat, een hele toffe club die geleid wordt door lieve en gepassioneerde mensen. Vervolgens ging hij van de basisgroepen naar de disciplinegroepen. Hij turnde in meerdere disciplines: Acro, Tumbling en Trampoline. Op veertienjarige leeftijd verkoos hij om zich te specialiseren in de discipline Acro en ging hij aan het werk als onderpartner. Na enkele jaren kreeg hij de kans om samen met zijn toenmalig team in te stappen in de Topsportstructuur te Gent. In 2010, 2012 én 2013 werd hij Belgisch kampioen in heren vier.

Een trainer van formaat

Tom begon training te geven op zijn zestiende en vergaarde door de jaren heen heel wat kennis. Ook dankzij zijn opleiding LO en bewegingswetenschappen was hij gemotiveerd om zich volledig in te zetten voor het trainerschap en zoveel mogelijk te leren van verschillende mensen. De laatste 6 jaar geeft Tom training bij Sportac Deinze, de club waarbij hij zijn trainer B-stage deed. 

De schroefbeweging

Schroeven is een complexe beweging in de gymnastiek, omdat je zowel rond de breedteas (= salto) als rond de lengteas (= schroef) van je lichaam een rotatie moet uitvoeren. Dat zorgt ervoor dat het lichaam een opeenvolging van bewegingen moet realiseren in een correcte positie, met de juiste timing en de nodige controle. Hoe meer variabelen er worden toegekend aan een beweging, hoe moeilijker die beweging wordt.

  • Fase 1: inzet van de saltobeweging: afsprong van je acropartner, eindsprong tumblingbaan, afsprong rekstok, trampoline … Op dit moment voorzie je de nodige energie om je salto te vervolledigen.
  • Fase 2: creëren van de saltorotatie. Door een krachtige armbeweging, een goede bekkenrotatie en het correct schoppen van de schenen, zorg je voor rotatie rond de breedteas.
  • Fase 3: afhankelijk van je rotatierichting breng je de rechterarm (in geval van rechterschroef) of de linkerarm (in geval van linkerschroef) naar het lichaam. Vervolgens sluit je de tweede arm aan. Hoe meer schouders, bekken en voeten zich op één lijn bevinden, hoe vlotter de schroefbeweging.
  • Fase 4: de schroef controleren door de armen verder van het lichaam te verwijderen en vervolgens te landen.

Het ene kind is het andere niet

Het ene kind schroeft gemakkelijker dan het andere. Dat hangt vooral af van zijn of haar motorische vaardigheid. De ene gymnast voelt dat sneller dan de andere. Maar meestal zijn problemen niet het gevolg van het vermogen van de gymnast om te schroeven. Schroeven is een fysiek gevolg van het feit dat je de ene kant van je lichaam korter maakt dan de andere kant. Met andere woorden, iedereen zou theoretisch gezien moeten kunnen schroeven. Wanneer men tijdens het leerproces moeilijkheden ervaart, is het raadzaam om te kijken of aan de andere voorwaarden voor een goede schroef voldaan zijn. Heel belangrijk is een goede positie van het lichaam bij het inzetten van de schroefbeweging!

De opbouw naar een goede schroef

Vermits Tom een Acro-trainer is, streeft hij maximaal naar het gebruik van de tiltschroef. Bij deze schroef moet eerst de salto ingezet worden. Wanneer de vluchtfase gegarandeerd is, wordt pas de schroef uitgevoerd. Hij geeft er dan ook de voorkeur aan om de schroefsalto aan te leren op de trampoline, in combinatie met een zachte valmat of de valput. “Ik leer de schroef aan vanuit driekwart streksalto rugwaarts. In een eerste fase vind ik het belangrijk dat gymnasten vooral laat hun schroef inzetten (bijvoorbeeld, na het spotten van de valmat). Op die manier evolueren ze vlotter naar een goede timing en moeten ze dat doen vanuit een krachtige armbeweging. Zo worden in de opbouw veel klassieke fouten vermeden. Indien de gymnasten klein van gestalte zijn, kan ik ze ook met hulp uit stand begeleiden met de schroefsalto. Een voordeel is dat het zeer veilig is en dat je de juiste ‘feeling’ creëert. Een nadeel is dat de gymnast noodgedwongen de schroef te vroeg moet inzetten. Tot slot wil ik nog aanstippen dat kaboom op de trampoline eveneens een ideale manier is om de tiltschroef te leren.”

Play Video

Tips & tricks

  1. Als trainer ben je constant in ontwikkeling en moet je over de mogelijkheid beschikken om jezelf in twijfel te trekken. Een trainer-B of zelfs A volgen, is hiervoor de ideale piste – Tom is daar momenteel mee bezig. Het stimuleert de ontwikkeling en biedt bijgevolg een betere ondersteuning aan je gymnasten.
  2. Het is een voordeel dat kinderen vanaf jonge leeftijd al ervaring krijgen met schroefbewegingen. Indien je als kind niet hebt leren schroeven, wordt het moeilijker om dat alsnog te leren als volwassen gymnast. Dat kan in verschillende bewegingssituaties: halve draai van de rekstok, zitval halve schroef op de trampoline, handenstand vallen met rotatie … Kinderen kunnen al spelenderwijs ontdekken in welke positie ze vlot roteren rond hun lengteas. 
  3. In de opbouw naar schroef raadt Tom aan om te starten met gestrekte armen. Voor de gymnast is dat eenduidiger. Het is moeilijker om eerst met geplooide en dan met gestrekte armen een schroef te leren dan omgekeerd. 
  4. Volgens Tom wordt er het meest gezondigd tegen timing en houding van de schroef. Je moet aangeven dat ze bij hun schroef met hun schouder, bekken en voeten tegelijk moeten draaien. Dat kun je heel geïsoleerd oefenen door de gymnasten in buiklig op de trampoline (met matje) te leggen, ze omhoog te laten veren, en vervolgens door de armbeweging schroef te laten inzetten. 
  5. Wees als trainer ook niet bang om regelmatig een paar stappen terug te zetten. In complexe bewegingspatronen sluipen snel foutjes. Het is bijgevolg zeker aangewezen om alle opbouwende stappen regelmatig te herhalen. 
  6. Laat de gymnast de fasen van de salto hardop tellen om de timing beter te controleren.
Play Video